Ze blijft

Ze blijft.
Ze blijft wat langer.
Ze blijft wat langer zitten.

Ze blijft wat langer in de auto zitten, om precies te zijn de BMW van haar man, die ze niet kan
besturen. Even niet de kinderen, de zooi, het weer-niet-uitgevoerde plan, geen man om voor de
voeten te lopen, even de hoek om, sigaretten kopen die ze eerder niet nam, even roken fikkie stoken
ALLES om maar even weg te zijn.

Thuis schudt een man de kaarten opnieuw.

De spelers leren kennen.
Schudden. Delen. Breken.
De regels herschrijven.
Fluisteren.

Zomerdromen

Dromen kon hij niet. In de nacht, het lucide herbeleven van het bekende, een beetje minder of een beetje meer, maar nooit iets anders. Nooit iets dat niet eerder was beleefd, geen onbezonnen pad. Het was onbegonnen werk. Hij kon niet dromen. Zijn leven zat als ieder ander, vast in een gestolde vorm. Het zat hem als gegoten. 

*

Zacht als dauw, roze boterbloemen in vochtig gras waren haar dromen. Samenvallen met het lichaam dat ze was dat vloeibaar werd bij de minste aanraking door het onbekende. De opwinding van niet weten wat, voorzichtig en bang maar oh zo nieuwsgierig naar wat nog zou kunnen zijn. Het lag voor haar. Om het te grijpen zou ze moeten springen.

Ze weifelde. 

Laat het afscheid

niet nadrukkelijk zijn, maar onverwacht
en klein. Lichtstappen op een vale muur

waar ongefilterd
stof doorheen glinstert.

Laat het zilt en onverkwikkelijk, wilde wind

die scheerlijnen snijdt

en meeuwen in geluidsturbines

van overschreeuwd verdriet.

Schaduwen vallen over de rand,

een opgetild moment. Ga maar met je lief
en laat met mij
het zand, de zee
is vast niet ver meer

Moderne dichters

Vandaag regent het spoetniks
en blijft het regenen, we blijven maar eten, de mannen die voetbalden
liggen in bed

de mannen die op zondag het gras moeten maaien

de dag is nog lang en de zon er nog niet, en stijlfouten mogen het is poëzie
zo lang het niet rijmt
in deze wereld
in deze dagen rijmt het niet
er valt trouwens niets
te rijmen

zo lang
als de zinnen,
de zinnen niet lopen vooral geen lyriek
en geen ritme doe vooral niet je best op het ritme, zelfs slammers slammen ernaast ’t zijn geen
muzikanten ze zijn van de straat ze smijten met woorden
alsof ze boos of hoogst verontwaardigd zijn

hun woorden raken niet
maar vallen
als appels vlakbij hun boom

.

Tja

De mens heeft zichzelf ingeblikt
in duizend nietige eenpersoonsbakjes
blinkend staal in METALLIC kleuren met de geur van
brandend rubber smeltend asfalt STILSTAANDE SNELTE
in de verte – altijd! – huilt een kind (altijd hetzelfde kind)
na een poos begint het kind te krijsen
en doe ik het raam maar dicht.

Ik liep binnen in het kringloopwarenhuis – een pleonasme een tautologie een tegenstelling in samengestelde anachronismen kortom: wat een zooi
waar een gummetje in de vorm van een platte watermeloen
25 cent kost
en dat kind blijft maar janken, iets anders kan ik het niet noemen

ik had het kind liever niet genoemd
maar dat geluid dringt zich door mijn oor
als bijna net zo penetrant als dat eeuwige geboor
dat er nu even niet is.

Laatst was het zo ongewoon stil
dat een kind zei: ik hoor nooit een vlieg
behalve nu.

Boom

Hier ben ik dan, jouw pre-fab boom, je droom-in-a-box

met draaiende blaadjes, rollende takken

en een harde gladde stam.

Je mag bij me schuilen,

bij de groene lurven waaronder je capriolen uithaalt

met de werkelijkheid.

.

Ik blader af maar ik bescherm je toch, kuif in de wind,

met elke weg die je inslaat,

elk moment waaraan je voorbijgaat

blijf ik onopgemerkt aanwezig,

een schaduw op je pad.

.

Een boom zonder eigenschappen

een moeder die alleen maar is,

een oceaanmoeder

met een wolkenkind.

.

Zomaar wat lucht,

een klein gemis

als de zon te fel

in je ogen schijnt.

Frankie

We hebben een klimgeniek konijntje te logeren. Hoeveel obstakels we ook opwerpen, hoe meer we het hek ophogen, hoe vaak we een extra muur om hem heen bouwen, Frankie wringt zich er met souplesse en een zeker plezier doorheen. Soms ben ik bang dat hij zichzelf op een pin van het hek spietst, maar hij worstelt en komt boven. Niet dat het avontuur hem lokt, de grote verlossing. Nee, dat kan het niet zijn. Want na elk avontuur zit hij vervolgens doodgemoedereerd op een halve meter afstand van zijn hok op zijn gedachten te kauwen.

Was hij in een vorig konijnenleven in dienst bij Houdini? Heeft hij vorige levens versleten onder de knoet van een te strenge huwelijksmoraal? Is hij een berucht misdadiger geweest die keer op keer wist uit te breken?

Op zolder zit een stuk venijn. Ze wil ontsnappen maar overal zijn diabolische spelingen van het lot, die voorkomen dat ze uit het raam springt. Daarbuiten is geen groener gras. Oh Frankie.

Alma

Voor Alma waren de vertakkingen van het toeval een geschenk. Ze accepteerde geen enkele beperking van haar bewegingsvrijheid en nog minder het idee dat hetgeen zich tussen ons afspeelde, wat dat ook mocht zijn, haar ervan zou weerhouden haar impulsen te volgen. Datgene wat wij waren wanneer we bij elkaar waren mocht niet benoemd worden, en daarom wist ik ook niet zeker of het überhaupt bestond wanneer we niet bij elkaar waren. Bij elke ontmoeting begon het van voren af aan.

(Indian summer, Jens Christian Grondahl)

Uit het raam

Van die dagen dat je wou dat je piano, dat je
liedjes staat te zingen, langzaam in je eigen stem, tot de
smartlappenpolitie sluizen opent en je kleine ego platwalst.
Van die dagen.

.
Van die dagen dat je zolder uitzicht, op de
wereld, op de straat, de straat is daar waar kinderen spelen, jeugd is lang
geleden nu en alles is al lang te laat. Van die avonden.

Die avond dat je laat ging slapen, stemmen hoorde
in de tuin, dat een avondrijk gezelligheid.

.

Dat je wil dat in een stille wereld mensen niet steeds
herrie maken. Dat de stilte diep van binnen,
dat je
.

Van die dagen. Zet de deur maar open.
Buiten is het zomerlicht.