Dromen kon hij niet. In de nacht, het lucide herbeleven van het bekende, een beetje minder of een beetje meer, maar nooit iets anders. Nooit iets dat niet eerder was beleefd, geen onbezonnen pad. Het was onbegonnen werk. Hij kon niet dromen. Zijn leven zat als ieder ander, vast in een gestolde vorm. Het zat hem als gegoten.
*
Zacht als dauw, roze boterbloemen in vochtig gras waren haar dromen. Samenvallen met het lichaam dat ze was dat vloeibaar werd bij de minste aanraking door het onbekende. De opwinding van niet weten wat, voorzichtig en bang maar oh zo nieuwsgierig naar wat nog zou kunnen zijn. Het lag voor haar. Om het te grijpen zou ze moeten springen.
Ze weifelde.