bosklimaat

We bladeren door het bos, slaan achteloos

minuten om. Leven in het moment

in dit ontwrichtende seizoen met de bladerdaklozen.

.

Op de bodem loopt een man met een droogtepersicoop

om de schorskever te spotten die de oude woudreuzen opvreet,

het leger van de kever en zijn veelvraatvrienden

met hun schildjes in de zon. Intussen

stijgt de innerlijke thermostaat,

staan er zonnevlekken op onze vleugels,

vlamt de nachtschade vol venijn.

.

Op een gouden schaaltje

betwisten de pipetslurper, de boomsluiper en de trompetklever met elkaar

de kans dat klimaatontwrichting door de mens veroorzaakt is.

Gierzwaluwen

De gierzwaluwen zijn er. Toen ik op de trampoline naar ze lag te kijken, zag ik er eentje onder de nok van het dak kruipen. Ik wist ’t wel. Ze komen elk jaar terug.

Uiteindelijk zoekt vrijwel ieder mens een ander. Niet om de hele tijd mee samen te zijn. Misschien om rondjes mee te cirkelen en af en toe een duikvlucht, als die periode van het jaar weer aangebroken is.

Annabel

In de trein is niets te beleven. Het mannelijk gehalte is hoog, het testosteron in slaap gesust na een lange lamlendige werkdag. Ze laat haar ogen door de treincoupé zwerven, kijkt even naar buiten, keert terug naar het lamme mannenleger en ontmoet de blik van de man die haar vanaf zijn plek bij het raam recht aankijkt. Een doodnormale man, zo op het eerste gezicht, de blauwgrijze haren staan opstandig omhoog. Wat een grappig gezicht heeft hij. Ze glimlacht en voelt zich betrapt wanneer ze merkt dat de man nog steeds naar haar kijkt. Gauw duikt ze weg achter haar scherm, waar het verhaal zichzelf schrijft.

‘Excuse me’ hoort ze ineens een donkere stem. Ze schuift snel een plekje op en biedt de man haar nog warme zitplaats aan. Dan rijden ze de tunnel in. In het raam weerspiegelt zijn silhouet, ze kan hem nu ongemerkt bekijken, zijn gegroefde voorhoofd, de manier waarop hij met duim en wijsvinger de vermoeidheid uit zijn ogen strijkt terwijl hij z’n bril in de binnenzak van zijn dure donkerblauwe jasje steekt. Wijdbeens zit hij, man van de wereld, een tikkeltje arrogant.

‘Annabel’
Het staat in grote neonletters buiten op de gevel van een vervallen gebouw waar ze langsrazen. Ze zegt het zo zachtjes dat de man het niet gehoord heeft. ‘Annabel, that’s me’ zegt ze met wat meer nadruk, maar nog steeds vanaf de zijlijn van een mogelijk gesprek.

Na kantoortijd

De kantoorjongen is bijna klaar met de dag. Hij heeft hard gewerkt, de laatste e-mails zoeven juist voorbij. Opgelucht schuift hij zijn laptop in de tas, broodje erbij, flesje water. Naast hem staat reeds de knapzak vol verwachtingen, sportschoenen bungelend langszij.

Daar komt de man met de gele hes die het kuisen van het perron tot een zaak van persoonlijke eer heeft gemaakt. Met aangeboren achteloosheid haalt hij zijn slonzige poetslap over het bankje, pal naast de jongeman die ongemakkelijk opzij schuift. De man boent gedienstig alsof hij de plaatsvervangende schaamte probeert weg te poetsen. Zijn doorgroefde gezicht spreekt boekdelen. Peilloze wijsheid achter ogen die niets meer te verbergen hebben.